Wie heeft het auteursrecht: de ontwerper of de opdrachtgever?

Casper Wernink auteursrecht, modellenrecht

Het auteursrecht wordt in beginsel toegekend aan de fysieke maker van een werk. Het Nederlands auteursrecht voorziet echter ook in een tweetal vormen van fictief makerschap; het werkgeversauteursrecht en het auteursrecht van rechtspersonen, werken openbaar makende ‘als van haar afkomstig’. Sinds 2007 bestaat er in de Benelux nog een derde vorm van fictief makerschap: het opdrachtgeversauteursrecht.


Het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (BVIE) regelt onder meer het modelrecht. Het modelrecht betreft een recht op uiterlijke vormgeving van twee- of driedimensionale voorwerpen, denk aan logo’s, design, meubels en auto’s. Waar een auteursrecht automatisch ontstaat wanneer een werk wordt gemaakt, ontstaat modelbescherming krachtens het BVIE pas door een model als eerste te registreren bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom.

Op grond van het BVIE kan ook de opdrachtgever modelrechthebbende worden van industriële vormgeving, als de opdrachtgever het model op bestelling heeft laten ontwerpen. Als de opdrachtgever vervolgens van plan is het model zelf in productie te nemen en te verhandelen, dan wordt de opdrachtgever als ontwerper (en dus modelrechthebbende) beschouwd. Het BVIE bepaalt voorts dat indien de opdrachtgever het modelrecht heeft, tevens het auteursrecht aan hem toekomt. Op 22 juni 2007 heeft het Benelux Gerechtshof in zijn Electrolux-arrest echter ook bepaald dat het opdrachtgeversmodelrecht zowel kan ontstaan bij geregistreerde als (nog) niet-geregistreerde modellen. Dit leidde onvermijdelijk tot de conclusie dat, zolang partijen niet anders afspreken, er automatisch en zonder registratie van het modelrecht opdrachtgeversauteursrecht kan ontstaan op industriële vormgeving. Een geheel nieuwe vorm van fictief makerschap die het Nederlands auteursrecht tot dan toe niet kende.

Dit was voor veel beroepsorganisaties van ontwerpers aanleiding om aan hun leden te benadrukken dat indien zij in opdrachtsituaties het auteursrecht op industriële vormgeving wilde behouden, zij dit voortaan uitdrukkelijk met de opdrachtgever moesten overeenkomen. Voor opdrachtgevers kan deze ontwikkeling anderzijds aanleiding zijn geweest om meer achterover te leunen en de kwestie ongeregeld te laten. In een procedure die Vervoorn & Wernink afgelopen jaar heeft gevoerd blijkt echter dat het auteursrecht op industriële vormgeving niet per definitie aan de opdrachtgever toekomt.

Cliënten hebben in opdracht van Xenos een ‘sieradenstandaard’ ontworpen (foto 1). Na goedkeuring van het ontwerp heeft Xenos de sieradenstandaards bij cliënten besteld. Cliënten hebben de standaards in China laten produceren en aan Xenos laten leveren. De verkoop van de sieradenstandaards bij Xenos was een succes, het was op enig moment één van de best verkopende artikelen (foto 2). Concurrent Blokker, net als Xenos dochter van de Blokker Holding, kwam niet veel later in Nederland en België met een ‘juwelenrekje’ op de markt dat een kopie betrof van het ontwerp van cliënten (foto 3). Xenos had de rekjes echter niet aan Blokker geleverd. Voor cliënten vormde dit aanleiding om een procedure tegen Blokker te starten teneinde Blokker te verbieden tot verdere verhandeling van de juwelenrekjes en Blokker te veroordelen tot afdracht van de met de verkoop van de rekjes behaalde winst.

Blokker verweerde zich door onder meer te stellen dat niet cliënten maar mededochter Xenos als opdrachtgever auteursrechthebbende was. Volgens Blokker hadden cliënten in opdracht van Xenos een (niet-geregistreerd) model ontworpen, zodat Xenos op grond van het BVIE ook het auteursrecht zou moeten toekomen. De rechtbank vond echter beslissend dat Xenos het door cliënten ontworpen model niet zelf in productie had genomen. Niet Xenos maar cliënten hebben de rekjes in China laten produceren. Als een handelaar (Xenos) dus aan een leverancier van producten vraagt een product te ontwerpen en vervolgens ook een bestelling doet van dat product bij die leverancier, dan komt het auteursrecht niet bij de handelaar te rusten. Niet Xenos maar cliënten hadden het auteursrecht, reden waarom de rechtbank bij vonnis van 25 maart 2015 Blokker heeft verboden de juwelenrekjes verder te verhandelen en Blokker te veroordelen te vergoeding van de schade die cliënten door de auteursrechtinbreuk hebben geleden.

Voor de vraag of er opdrachtgeversauteursrecht bestaat kan dus tevens van belang zijn of de opdrachtgever de bedoeling heeft het model zelf in productie te (laten) nemen. Voor zowel opdrachtgevers als ontwerpers van industriële vormgeving is het zaak goed te bezien hoe de rechtsverhoudingen liggen en zo nodig andersluidend met elkaar af te spreken.

Over de auteur

Casper Wernink

Casper is sinds 2012 werkzaam als advocaat. Daarvoor werkte hij bij de ING Groep waar hij verantwoordelijk was voor de juridische toetsing van internationale betalingen en documentaire kredieten. Tijdens zijn rechtenstudie liep hij stage bij het Gerechtshof Amsterdam. Casper heeft een bijzondere interesse voor het internationaal privaatrecht en de arbitrage, onderwerpen die hij in zijn vrije tijd in een proefschrift verenigt.